Schrijf me en ik stuur je antwoord.

Augustinus schreef vele brieven, een deel daarvan is bewaard gebleven. In de eerste brief die in dit boekje is vertaald gaat hij zeer actief in tegen de slemppartijen en drinkgelagen die tijdens het zogenaamde ‘vreugdefeest’ gehouden worden, zowel in de kerken als in de huizen. Hij stelt het Joodse volk ten voorbeeld. Hij geeft aan dat er in de hele geschiedenis onder hen ‘geen mensen waren die zich bezatten onder het mom van religieuze eerbied, op één uitzondering na toen ze feestvierden rond het afgodsbeeld dat ze hadden opgericht.’ Tijdens zijn preek reageerden de mensen in zijn gemeente op zijn bewogen oproep om niet te gaan slempen door te gaan huilen, ook Augustinus kon zijn tranen niet bedwingen. Mooi om te lezen dat hij aangeeft dat er in zijn gemeente dagelijks vespersdiensten werden gehouden om de lofzang gaande te houden.

Bijzonder om te lezen dat Augustinus, die toch een beroemde retoricus was, als het gaat om gewichtige onderwerpen een brief de voorkeur geeft boven een gesprek. Wij kunnen daar nu ons voordeel mee doen, doordat dit soort brieven bewaard zijn gebleven.

Waar het gaat om straffen houdt Augustinus een pleidooi om mensen tot inkeer te laten komen. Dus geen oog om oog, geen doodstraf of criminelen als vergelding verminken, maar hij pleit ervoor om hen een taakstraf te geven. Daarmee wordt de straf een weldaad voor de dader, een mogelijkheid tot inkeer. Daarbij is de waarde van het opsporen van de daders belangrijker dan straffen.

Heel grappig dat een briefschrijver denkt dat als Augustinus bepaalde zaken niet wist, deze niet tot de leer van de kerk zouden horen. Hij reageert daarop door te stellen dat hij het heel sympathiek vindt om te horen, maar dat hoe lang hij ook op de Schriften studeert ook op hem van toepassing is zoals in het boek Sirach (18:6) staat ‘Wanneer een mens de wonderdaden van God denkt te begrijpen, begint hij pas.’

In dit boekje is ook de brief opgenomen van Marcellinus met zijn verzoek om uit te leggen hoe het kon dat de stad Rome was gevallen in 410. Het uitgebreide antwoord op deze brief aan Augustinus over de val van Rome heeft hij, zoals bekend, beschreven in De Civitate Deï, zijn magistrale meesterwerk. In het (korte) antwoord op deze brief schets hij reeds de contouren van de twee rijken. Ook geeft hij aan dat de neergang van het Romeinse rijk verband hield met het neergaan van de moraal. Die neergang was niet het gevolg van armoede, volgens hem tasten juist vrede en rijkdom de moraal aan. Daarin is helaas nog niets veranderd, als we om ons heen kijken en de moraal in Nederland in ogenschouw nemen zien we hetzelfde gebeuren, zoals drank- en drugsgebruik en niet alleen in eigen land, maar zelfs het exporteren naar ontwikkelingslanden van vrije seksuele omgangsvormen en de actieve financiering van het uitvoeren van ‘veilige’ abortussen, waarbij de stem van het kind in de kiem wordt gesmoord.

Het boekje bevat een prima inleiding die het verband aangeeft tussen de brieven en de context waarin deze geschreven zijn. Het boekje is een genot om te lezen en ook heel geschikt om cadeau te geven als kennismaking met de pastorale gaven van Augustinus.

N.a.v. Schrijf me en ik stuur je antwoord. Acht brieven [Epistulae 29 en 132 – 138], Aurelius Augustinus. Uitgeverij Damon, € 15,90, 2021